Boven in het klooster, op de eerste verdieping, zit Iris alleen in de meditatieruimte. Het is een kleine ruimte, sober en stil. Aan de muur hangt een icoon. Op de grond liggen meditatiekussens. Er staan een paar gebedskrukjes, alsof iemand er zo weer kan neerknielen. Door het raam valt zacht licht naar binnen. Buiten hoor je bijna niets. Geen auto’s, geen stemmen, alleen af en toe een vogel.
Iris heeft zich teruggetrokken met een bijbeltekst. Ze leest langzaam. Daarna nog een keer. Eerst is het gewoon een verhaal, oud en een beetje plechtig misschien. Maar dan zijn daar de vragen die ze meekreeg. Wat raakt je? Wat zegt dit jou? Waar schuurt het tegen je eigen leven aan?
Ze gaat rechter zitten. Leest opnieuw. En ineens is het niet meer zomaar een tekst.
“Dat was echt een moment dat me heel erg raakte,” zegt ze later. “Ik voelde helemaal die rust en die stilte. Een soort vrede ook.”
Ze is hier voor de tweede keer. Vorig jaar deed ze ook mee aan een retraite van Magis. Toen kwam ze als iemand die was vastgelopen. Nu komt ze terug als iemand die weet wat deze plek met haar kan doen.
Iris is 27, woont in Deventer en heeft sinds kort een huisje voor zichzelf. Eén straat verderop wonen haar broers. Haar ouders wonen dichtbij. Het is, in haar eigen woorden, allemaal “echt heel fijn”. Ze zegt dat zonder groot gebaar. Eerder alsof ze het zelf nog steeds een beetje verbaasd vaststelt. Dat het leven, na een tijd van onrust, ook weer gewoon goed kan voelen.
Maar vorig jaar voelde het helemaal niet goed.
Ze zat in een relatiecrisis. Tegelijk worstelde ze met haar opleiding en de vraag of ze daarmee door moest. Na de havo had ze eerst een musicalopleiding gedaan. Zingen en dansen hadden haar altijd getrokken. Ze deed auditie, werd aangenomen, ging ervoor. Maar daarna zag ze ook de andere kant van die wereld. Hard, competitief, veel gericht op uiterlijk, weinig ruimte voor wie je bent als mens. Ze stapte eruit, koos voor pedagogiek en daarna voor het onderwijs. Ze begon aan een versnelde opleiding in het speciaal onderwijs.
Halverwege liep ze vast.
“Die combinatie was te pittig,” zegt ze. “Ik merkte dat ik er niet gelukkig van werd.”
Zo zegt ze het nu. Kalm, helder, bijna beheerst. Maar destijds was het minder overzichtelijk. Stoppen met een opleiding deed je niet zomaar. Zeker niet als je iemand bent die gewend is door te zetten. Gewoon nog even volhouden. Nog even kijken of het toch nog goedkomt. Maar ergens wist ze al dat het niet klopte.
In die periode stuurde haar moeder een retraite door. Of dat niet iets voor haar was.
Dat was niet meteen een logische stap. Iris was katholiek opgevoed, ja, maar de kerk was nooit een vanzelfsprekende geliefde plek geworden. “Vroeger vond ik de katholieke kerk saai,” zegt ze. “Ik snapte er niks van. Ik voelde me niet betrokken.” Wel had ze van thuis iets anders meegenomen, iets blijvenders. Naastenliefde. Onvoorwaardelijk klaarstaan voor een ander. Het idee dat geloof ook iets met leven te maken moet hebben, niet alleen met regels of rituelen.
Toch aarzelde ze. Een christelijke retraite. Met stilte. Met Bijbelteksten. Met bidden. Met zusters.
“Ik dacht eerst wel: is dit echt iets voor mij?”
Ze boekte het weekend terwijl haar relatie ernstig wankelde. Toen het weekend aanbrak, was de relatie voorbij. Ze kwam niet aan als iemand die hoopte dat het nog goed kon komen. Ze kwam aan in de leegte erna.
Dat maakte die eerste retraite tot iets anders dan een bezinningsweekend. Het werd een scharnierpunt.
“Het weekend heeft me heel erg geholpen om tot rust te komen en om weer extra naar mijn eigen gevoel te luisteren, omdat ik dat te lang niet goed had gedaan.”
Dat is de zin waar haar verhaal eigenlijk om draait. Niet alleen de breuk, niet alleen de studietwijfel, niet alleen de stilte van het klooster. Maar dat ene: weer leren luisteren naar haar gevoel. Niet als iets zachts of vaags, niet als een opwelling, maar als iets dat gewicht heeft.
Tijdens die eerste retraite ging het veel over verlangen. Over wat je diep vanbinnen weet, ook als je hoofd nog allerlei bezwaren heeft. Er werden vragen gesteld, zegt ze, en er was input die haar hielp om woorden te geven aan iets wat ze al langer voelde maar nog niet serieus genoeg nam.
“Hoe volg je nou je hart, of hoe voel je nou wat je wil? Dat werd daar voor mij veel duidelijker.”
Sindsdien spreekt ze over haar gevoel alsof het een instrument is dat je kunt leren afstemmen. Niet elk gevoel is richtinggevend. Angst kan lawaai maken. Onrust ook. Maar ergens daaronder zit nog iets anders. Een lichter weten. Een knoop in je maag als iets niet klopt. Ruimte als iets wel klopt.
“Als iets niet klopt, dan voel ik dat echt in mijn maag. Dan voelen dingen zwaarder. En anders voelt het veel lichter.”
Na het weekend stopte ze met haar opleiding. Voor iemand die zegt dat stoppen “niks voor haar” is, was dat geen kleine stap. Maar het bleek wel de goede. Niet alleen omdat ze ermee ophield, maar ook omdat er daarna iets openbrak.
Ze ging niet meteen driftig een nieuw plan bouwen. Eerst nam ze tijd. Rust. Ze deed alleen dingen waar ze blij van werd. Daarna werkte ze flexibel op kinderdagverblijven. En vervolgens deed ze iets wat eigenlijk al laat zien hoeveel er in haar verschoven was.
Ze ging voor drie maanden alleen naar Azië.
Dat klinkt achteraf misschien avontuurlijk en dapper, maar het was vooral ook spannend. Alleen reizen, zo ver weg, zonder vangnet — al voelde ze altijd de steun en de liefde van het thuisfront achter zich. Toch werd juist die reis een soort bewijs dat het kompas waar ze in het klooster voorzichtig op was gaan vertrouwen, echt bestond.
“Je leert dan heel erg luisteren naar jezelf en naar je eigen hart.”
In Azië ontdekte ze dat ze goed alleen kon zijn. Dat stilte niet leeg hoeft te zijn. Dat je jezelf kunt dragen, ook als er niemand naast je loopt. En dat spanning niet hetzelfde is als een verkeerd besluit.
“Je moet je niet door angst of spanning laten tegenhouden. Want dat gaat op een gegeven moment wel weg. En dan blijft het echte gevoel over.”
Nu is ze terug in het klooster. Een jaar later. Niet opnieuw in een crisis, wel op een punt waarop ze voelt dat zo’n plek haar goeddoet. Zodra ze aankomt, merkt ze het alweer. De diepe stilte. Geen geluid van auto’s. Het natuurgebied om het klooster heen. Vogels. De zusters, die tegelijk ernstig en vrolijk zijn, alsof ze weten dat het leven zwaar kan zijn zonder dat je daarom somber hoeft te kijken.
Ze hoeft deze keer minder opgelost te worden. Dat scheelt. De tweede retraite is geen scharnierpunt, maar dat vindt ze niet erg. “Het hoeft niet elke keer zo spectaculair te zijn,” zegt ze. “Het heeft me op andere manieren weer veel gebracht.”
Dat christelijke, waar ze vooraf wat voor terugdeinsde, is er nog steeds. Het is een retraite met gebed, Bijbelteksten en vieringen. Maar juist daarin heeft ze haar eigen weg gevonden. Ze gaat niet ineens elke zondag naar de kerk, maar ze kan wel iets met deze vorm. Met stil worden. Met een tekst lezen en die op haar eigen leven betrekken. Met meebidden zonder precies alles vast te hoeven leggen.
Ze mediteert thuis elke ochtend. Op bed, met rustige muziek, aandacht voor haar ademhaling, haar lichaam, haar gedachten. Ze noemt het zelf eerder mindfulness dan bidden. Maar ergens schuurt dat onderscheid ook langs iets anders. Dankbaarheid. Zachtheid. Openheid. De hoop dat er een God is.
En soms voelt ze daar echt iets van.
Na een van de gebedsvieringen met de kloosterzusters blijft ze nog even zitten in de kapel. De anderen lopen langzaam weg. De ruimte wordt leger. Het licht zakt. Ze blijft waar ze is. Omdat opstaan te snel zou zijn. Omdat ze iets wil vasthouden wat zich niet laat vastpakken.
“Toen voelde ik totale rust en vrede,” zegt ze. “En daar was God wel echt aanwezig.”
Dat zegt ze niet triomfantelijk. Eerder voorzichtig, bijna verbaasd. Alsof ze zelf ook nog luistert naar wat ze precies bedoelt. Misschien maakt dat haar verhaal geloofwaardig. Ze heeft het niet over zekerheden, niet over grote woorden, niet over een leven dat ineens helder en af is. Ze heeft het over signalen. Over voelen. Over vertrouwen dat groeit doordat je merkt dat het je ergens brengt.
Wat ze van deze tweede retraite meeneemt, zit in kleine dingen. Meer schrijven. Nog vaker stilte opzoeken. Even helemaal unplugged zijn van de prikkels van de buitenwereld en de telefoon wegleggen. “Meer aandacht voor wat goed is, en voor liefde”, zegt ze. Niet in romantische zin. Meer als iets dat onder alles ligt en dat je gemakkelijk vergeet als je altijd maar doorgaat.
Misschien is dat uiteindelijk wat die eerste retraite haar gaf. Geen pasklare oplossing voor een kapotte relatie of een vastgelopen studie. Wel iets dat langer meegaat. Een manier van kijken. Een manier van luisteren. Een nieuw respect voor haar eigen binnenwereld.
In de meditatieruimte boven, tussen de gebedskrukjes en het icoon, werd dat opnieuw voelbaar. De eerste keer kwam ze er om overeind te blijven. De tweede keer kwam ze terug omdat ze wist dat daar iets lag wat ze intussen in haar gewone leven ook had leren herkennen.